Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0325

Datum uitspraak2006-10-12
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606386/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 juli 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, beroep ingesteld. Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


Uitspraak

200606386/2. Datum uitspraak: 12 oktober 2006. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoekers], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Putten, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 juli 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, beroep ingesteld. Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door M. Wolbers-Versteeg, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Verzoekers zijn met bericht niet ter zitting verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door G. van Winkoop. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding. 2.3.    De Voorzitter is, anders dan verweerder heeft gesteld, van oordeel dat met het verzoek spoedeisend belang is gemoeid nu de aangevraagde en vergunde uitbreiding van het aantal dieren deels kan worden gerealiseerd binnen de in de inrichting reeds aanwezige dierenverblijven. 2.4.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van verzoekers niet-ontvankelijk is voor zover dat betrekking heeft op het Besluit luchtkwaliteit 2005.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, (oud) van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.    De Afdeling zal in de bodemprocedure over de ontvankelijkheid van deze grond moeten oordelen. In de bedenkingen hebben verzoekers naar voren gebracht normaal adem te willen halen zonder enorme hoeveelheden stank en ammoniak binnen te krijgen. De bedenkingen worden verder toegespitst op het aspect stank. De Voorzitter acht niet onaannemelijk dat de Afdeling zal oordelen dat het beroep voor zover dit ziet op het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat voornoemd besluit feitelijk geen betrekking heeft op het aspect stank en in de bedenkingen geen aspecten naar voren zijn gebracht van de hinder waarop het Besluit luchtkwaliteit 2005 feitelijk ziet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de Voorzitter daarom in zoverre geen aanleiding. 2.5.    Voorts ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekers in het kader van het aspect stankhinder betogen evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening nu is gebleken dat aan de ingevolge de hier van toepassing zijnde Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden en de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden minimaal aan te houden afstanden wordt voldaan. 2.6.    Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat. w.g. Boll    w.g. Van Leeuwen Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006. 373.